Inhouding dividendbelasting aan Canadese moedermaatschappij geoorloofd
Op 2 oktober 2008 (publicatie op 27 maart 2009) heeft de Rechtbank Haarlem uitspraak gedaan in de casus waarbij er 5% dividendbelasting is ingehouden op dividend uitkeringen van een Nederlandse vennootschap aan een Canadese moedermaatschappij.
Het was de vraag of in deze verhouding de heffing van dividendbelasting in strijd zou kunnen zijn met het recht op vrije vestiging en vrij verkeer van kapitaal (artikel 56 en 58 van het EG verdrag). De Rechtbank beslist dat dit niet het geval is.
De casuspositie is als volgt:
Alle aandelen in een Nederlandse vennootschap (“N BV”) worden gehouden door een Canadese vennootschap (“C Ltd.”). N B.V. heeft op haar beurt 100% en 50% aandelenbelangen in buitenlandse vennootschappen welke activiteiten bestaan uit uitgifte en exploitatie van illustraties en licenties. N BV heeft in 2005 een dividenduitdeling gedaan aan C Ltd. voor het bedrag van Euro 7.917.274 onder inhouding van 5% dividendbelasting. N BV stelt zich op het standpunt dat de inhouding van 5% dividendbelasting onterecht is. Dit baseert zij op het feit dat de vrijstelling van inhouding van dividendbelasting overeenkomstig artikel 4 van de dividendbelasting in strijd is met artikel 56 van het EG verdrag (vrije verkeer van kapitaal).
De Rechtbank Haarlem heeft beslist dat de inhouding van dividendbelasting terecht is. De Rechtbank geeft aan dat toetsing van artikel 4 Wet dividendbelasting aan artikel 56- 58 EG verdrag niet aan de orde is. De reden hiervoor is dat C Ltd 100% van de aandelen in bezit heeft van N BV en dus een beslissende invloed heeft op de besluiten van N BV. De bepaling in artikel 4 dividendbelasting resulteert in een beperking van het vrije verkeer van personen (recht van vestiging). C Ltd. kan geen beroep op deze beperking doen omdat zij in een derde land is gevestigd. Indien er geen sprake is van beperking van vestiging komt een beroep op beperking van vrij verkeer van kapitaal niet aan de orde.
In recente arresten (Denkavit arrest/Amurta arrest) was er eveneens sprake van een geschil inzake ingehouden dividendbelasting waarbij het belang 5 % of meer was. Nederland zou onterecht de inhoudingvrijstelling van artikel 4 (voor 1 januari 2007) niet hebben toegepast. Hierbij heeft het HVJ aangeven dat een verschil in behandeling van dividenden bij Europese moedermaatschappijen een beperking is van het vrije verkeer van personen (recht van vestiging).
In de casus hierboven geschetst is van belang geweest de beslissende invloed van C Ltd. in N BV vanwege het 100% belang waardoor men niet direct een beroep kon doen op beperking van het vrij verkeer van kapitaal, maar eerst een beperking van het vrije verkeer van personen welke in derde landen niet aan de orde is. Onduidelijk in de casus is wanneer sprake is van beslissende invloed.
Indien u geïnteresseerd bent in onze dienstverlening of indien u vragen heeft over dit onderwerp kunt u contact opnemen met:
Fariq Ishaak of Ton Smit
Telefoon: 010-2010466
E-mail: fariq.ishaak@taxci.nl
of
E-mail: ton.smit@taxci.nl
