Vrijstelling Nederlandse dividendbelasting voor Europese aandeelhouders

Laatst gewijzigd: 11-12-2007

17 oktober 2005

Het Hof Den Bosch heeft recent een zeer belangrijke uitspraak gedaan over de heffing van Nederlandse dividendbelasting van een in Luxemburg gevestigde vennootschap.

De casus waarover het Hof moest oordelen, handelde over een Luxemburgse vennootschap die in 2001 en 2003 een belang had van 2.25% in een Nederlandse B.V. De Europese Moeder-Dochter Richtlijn was niet van toepassing omdat hiervoor een aandelenbelang van minimaal 20% (in sommige gevallen volstaat 10%) is vereist. Volgens het belastingverdrag tussen Nederland en Luxemburg, mocht Nederland 15% dividendbelasting heffen.

De Luxemburgse vennootschap maakte bezwaar tegen inhouding van dividendbelasting op basis van het Europese discriminatieverbod (vrijheid van kapitaalverkeer).

Het Hof Den Bosch heeft dit bezwaar van de Luxemburgse vennootschap gehonoreerd.

Volgens het Hof mag Nederland geen dividendbelasting heffen indien de gerechtigde tot het dividend een Europese vennootschap is, die recht zou hebben op de vrijstelling dividendbelasting indien de vennootschap in Nederland zou zijn gevestigd.

Een Nederlandse vennootschap heeft recht op een vrijstelling van de dividendbelasting indien de deelnemingsvrijstelling van toepassing is op de aandelen ter zake waarvan het dividend wordt betaald. Hetzelfde geldt voor in het buitenland gevestigde vennootschappen, mits de aandelen behoren tot het vermogen van een binnenlandse onderneming (vaste inrichting).

Volgens het Hof is met deze regeling sprake van " ... een door het EG-Verdrag verboden discriminatie van intra-gemeenschappelijk grensoverschrijdend kapitaalverkeer, zowel omdat Nederlandse vennootschappen kunnen worden ontmoedigd om buitenlands in plaats van binnenlands eigen vermogen aan te trekken (vertrekbeperking op vraag naar kapitaal), alsook omdat buitenlandse investeerders kunnen worden ontmoedigd om in het eigen vermogen van Nederlandse vennootschappen deel te nemen ".

De in casu Luxemburgse aandeelhouder heeft volgens het Hof derhalve recht op 100% vrijstelling van Nederlandse dividendbelasting.

Dit is een zeer opzienbaarlijke uitspraak die zowel in Nederland als in de andere lidstaten van de Europese Unie verregaande consequenties kan hebben.

Waar het op neer komt, is dat de vrijstelling dividendbelasting die in binnenlandse deelnemingsverhoudingen geldt, door het Hof wordt uitgebreid tot Europese verhoudingen. Oftewel, iedere Europese vennootschap die een aandelenbelang in een Nederlandse vennootschap houdt kan een beroep doen op de vrijstelling van Nederlandse dividendbelasting indien het aandelenbelang voldoet aan de voorwaarden voor de Nederlandse deelnemingsvrijstelling.

Veel Europese landen kennen een vergelijkbare regeling, zodat deze interpretatie van Europees recht ook in deze landen tot een vergelijkbare uitkomst zou moeten leiden.

Het spreekt voor zich, dat de budgettaire consequenties van deze uitspraak enorm kunnen zijn. Net als bij Bosal, kan worden verwacht dat de belastingdienst in hoger beroep zal gaan om deze uitspraak tot in de hoogste instanties te bevechten. Gezien het belang van deze zaak, is ook naar onze mening een uitspraak van het Europese Hof welkom.

Voorlopig echter kan iedere kwalificerende Europese aandeelhouder een beroep doen op de Nederlandse vrijstelling. Ook zal iedere Nederlandse aandeelhouder die ergens in de Europese Unie dividendbelasting betaald er goed aan doen om te onderzoeken of zij op basis van de buitenlandse regeling voor interne verhoudingen geen recht heeft op een vrijstelling van deze buitenlandse dividendbelasting.

Indien u vragen heeft of meer informatie over dit onderwerp wenst, kunt u contact opnemen met

Ton Smit

Telefoon: 010-2010470 (direct)

E-mail: ton.smit@taxci.nl