Laatste wijziging: 22-10-2007

Deelnemingsvrijstelling - welke belangen komen in aanmerking voor vrijstelling?

De belangrijkste voorwaarde die wordt gesteld is dat sprake moet zijn van een deelneming in een ander zelfstandig lichaam dat naar aard en omvang meer moet zijn dan een belegging. 

Hierna worden de exacte voorwaarden weergeven die gelden in puur nationale verhoudingen. 

De wet stelt additonele voorwaarden voor deelnemingen in buitenlandse lichamen waarvoor wij verwijzen naar de pagina Deelnemingsvrijstelling - welke additionele voorwaarden zijn van toepassing in internationale verhoudingen ?

In puur nationale verhoudingen worden door de wet de volgende eisen gesteld:

1.  Het moet gaan om een participatie in een ander lichaam met een in aandelen verdeeld kapitaal

Wat hier in ieder geval onder valt zijn aandelenbelangen in Nederlandse BV's en NV's.  Wat ook kan kwalificeren zijn participaties in een fonds voor gemene rekening of een  lidmaatschap van een coöperatie. 

Een belangrijke uitzondering geldt voor belangen in fiscale beleggingsinstellingen (wel aan de vennootschapsbelasting onderworpen, maar tegen nul tarief belast).  Een participatie in een beleggingsinstelling kwalificieert in beginsel niet voor toepassing van de deelnemingsvrijstelling.   

Alhoewel de wet alleen spreekt van formele eigendom van bijvoorbeeld aandelen, is door de rechtspraak inmiddels bevestigd dat ook het volledig economisch belang kan kwalificeren.        

2.  Deze participatie moet minimaal 5% vertegenwoordigen van het nominaal gestorte kapitaal 

De 5%-grens is ingevoerd om te voorkomen dat pure beleggingen onder de vrijstelling zouden worden gebracht.  Indien bijvoorbeeld tijdelijk overtollig kasgeld op de beurs wordt belegd in aandelen (minder dan 5% belangen), dan zal over het beleggingsrendement gewoon vennootschapsbelasting verschuldigd zijn.  Hier staat dan tegenover dat in nationale verhoudingen een belang van 5% of meer in beginsel altijd voor de vrijstelling zal kwalificeren, tenzij de aandelen als voorraad worden gehouden (zie hierna).  

Bij lichamen die een in aandelen verdeeld kapitaal hebben, zoals de BV en de NV, zal het bepalen van de 5%-grens meestal geen problemen opleveren.  Wel kunnen problemen ontstaan bij belangen die rond de 5% schommelen en dan weer eens boven en dan weer eens onder de 5% zitten.  De 5%-grens is absoluut bedoeld zodat de vrijstelling in de tijd bezien dan weer wel en dan weer niet van toepassing kan zijn.  Voor meer informatie hierover verwijzen wij naar de pagina Deelnemingsvrijstelling - wat is precies vrijgesteld? Bij lichamen die aandelen hebben zonder nominale waarde kan het beoordelen van de 5%- grens op problemen stuiten.  Het percentage mag dan echter worden bepaald in de verhouding belang in het kapitaal / totaal kapitaal.     
    
Indien de 5%-grens niet wordt gehaald kan de vrijstelling toch nog van toepassing zijn indien het gaat om een participatie die in het verlengde ligt van de normale bedrijfsuitoefening, of indien sprake is van een participatie waarmee het algemeen belang is gediend. 

De laatste categorie is een uitzondering waar wij niet verder op ingaan.  De eerste categorie, het belang kleiner dan 5%, komt in de praktijk nogal al eens voor.  De rechtspraak heeft duidelijk gemaakt dat een particiatie tot deze categorie kan worden gerekend indien, kort samengevat, speciale omstandigheden aanwezig zijn waardoor het houden van de aandelen niet als belegging kan worden aangemerkt.  Het schoolvoorbeeld was altijd het strategisch belang in concurrenten, leveranciers of afnemers.  Door de rechtspraak is deze categorie verruimt tot de hiervoor gegeven definitie.  Nu kan bijvoorbeeld ook een participatie van een zogenaamde managementvennootschap in de werkmaatschappij waarvoor zij het management verzorgt onder de reikwijdte van de deelnemingsvrijstelling worden gebracht.            

  De participatie mag niet als voorraad worden gehouden.   

Deze voorwaarde is in beginsel alleen van belang voor partijen die handelen in geldzak BV's. 

Het moet dan gaan om situaties waarbij de koop-verkoop van aandelen kan worden gezien als een object van financiële dienstverlenging (voorraad), waarbij niet het deelnemen in een vennootschap maar eigenlijk alleen het transactieresultaat van belang is. 

De deelnemingsvrijstelling is niet van toepassing op de winst of het verlies dat met deze "handel" wordt behaald. 

De vraag is wat wel en wat niet als "voorraad transactie" moet worden gekwalificeerd.  Helemaal scherp is deze grens niet, maar duidelijk is wel dat in beginsel niet als voorraad kwalificeert:  

  • participaties in onroerend goed vennootschappen of vennootschappen die beleggen in onroerend goed vennootschappen; 
  • participaties in vennootschappen die een materiële onderneming drijven. 

Het voorafgaande is gebaseerd op beleid en vloeit niet rechtstreeks voort uit de wettekst.   Door de terughoudend in de formulering van het beleid ("in beginsel") blijft onduidelijkheid bestaan over de exacte reikwijdte van het voorraad criterium. 

Ten aanzien van aandelen in B.V.'s die zich bezighouden met belegging in onroerend goed en aandelen in kasgeldvennootschappen die niet binnen twaalf maanden na aankoop worden bestemd voor de verkoop geldt onder bepaalde voorwaarden dat deze niet als voorraad worden aangemerkt (wel kan dan nog steeds de "up-count" bij verkoop belast zijn).    
     

Terug naar index - De Nederlandse deelnemingsvrijstelling