1. Ingeval een belastingplichtige een bezit van ten minste 25 percent in het nominaal gestorte kapitaal van een vennootschap die is gevestigd in een andere Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen als belegging houdt, wordt, in afwij lang in zoverre van artikel 13, tweede lid, dat bezit met een deelneming gelijkgesteld, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
1e. de in de andere Lid-Staat gevestigde vennootschap is, zonder keuzemogelijkheid, zonder er van te zijn vrijgesteld en zonder toepassing van een bijzonder regime, onderworpen aan de aldaar geheven belasting naar de winst als bedoeld in artikel 2, onderdeel c, van de Richtlijn 90/435/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23 juli 1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende Lid-Staten (PbEG L 225);
2e. de belastingplichtige en de vennootschap hebben één van de in de bijlage bij de richtlijn opgenomen rechtsvormen;
3e. de belastingplichtige en de vennootschap worden in de Lid-Staat van vestiging niet geacht volgens een met een derde Staat gesloten verdrag ter voorkoming van dubbele belasting buiten de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen te zijn gevestigd.
2. Ingeval de belastingplichtige in het bezit is van aandelen die ten minste 25 percent van de stemrechten vertegenwoordigen in een vennootschap die is gevestigd in een Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen waarmee Nederland een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten dat voorziet in een verlaging van de belastingheffing op dividenden op grond van het bezit van het aantal stemrechten, wordt, in afwijking in zoverre van artikel 13, tweede lid, onderdeel a, dit bezit met een deelneming gelijkgesteld, indien aan de in het eerste lid, onder 2° en 3°, gestelde voorwaarden is voldaan. Ingeval de belastingplichtige dit bezit als belegging houdt, is met betrekking tot dat bezit het eerste lid van overeenkomstige toepassing.
3. In afwijking van het eerste en tweede lid wordt een bezit in een vennootschapals daar bedoeld niet met een deelneming gelijkgesteld indien de bezittingen van die vennootschap onmiddellijk of middellijk hoofdzakelijk bestaan uit:
a. belangen in vennootschappen welke niet als deelneming zouden worden aangemerkt indien de belastingplichtige deze rechtstreeks zou hebben gehouden, of
b. vermogensbestanddelen die zich bevinden buiten de in de aanhef bedoelde Lidstaat en ter zake waarvan de belastingplichtige, indien die vermogensbestanddelen rechtstreeks door hem zouden worden gehouden, krachtens regelingen tervoorkoming van dubbele belasting geen aanspraak zou kunnen maken op vrijstelling van vennootschapsbelasting van de met die vermogensbestanddelen behaalde winst.
4. Voorzover op een in het derde lid bedoeld belang in een vennootschap, indiende belastingplichtige dit rechtstreeks zou hebben gehouden, artikel 286, eerste lid, van toepassing zou zijn, waardeert de belastingplichtige de aandelen in de in de andere Lidstaat gevestigde vennootschap op de waarde in het economische verkeer. Artikel 280, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
5. Het derde en vierde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtigeaannemelijk maakt dat het houden van de in die leden bedoelde belangen of het houden van de in het derde lid bedoelde vermogensbestanddelen door tussenkomst van een vennootschap die is gevestigd in een Lidstaat, in overwegende mate is ingegeven door andere overwegingen dan het ontgaan of uitstellen van belastingheffing.