Moeder-Dochter Richtlijn
RICHTLIJN VAN DE RAAD van 23 juli 1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende Lid-Staten
(90/435/EEG)
DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische
Gemeenschap, inzonderheid op artikel 100,
Gezien het voorstel van de Commissie (1),
Gezien het advies van het Europese Parlement (2),
Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (3),
Overwegende dat hergroeperingen van vennootschappen uit verschillende
Lid-Staten noodzakelijk kunnen zijn ten einde in de Gemeenschap
soortgelijke voorwaarden te scheppen als op een binnenlandse markt en
daardoor de instelling en de goede werking van de gemeenschappelijke
markt te verzekeren; dat deze transacties niet moeten worden belemmerd
door uit de fiscale voorschriften der Lid-Staten voortvloeiende
bijzondere beperkingen, nadelen of distorsies; dat er bijgevolg voor
deze hergroeperingen concurrentie- neutrale belastingvoorschriften tot
stand moeten komen om de ondernemingen in Staat te stellen zich aan
te passen aan de eisen van de gemeenschappelijke markt, hun produktiviteit
te vergroten en hun concurrentiepositie op de internationale markt
te versterken;
Overwegende dat deze hergroeperingen kunnen leiden tot de vorming
van groepen van moeder- en dochtermaatschappijen;
Overwegende dat de huidige fiscale voorschriften voor de betrekkingen
tussen moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende
Lid-Staten van land tot land aanzienlijke verschillen vertonen en
in het algemeen minder gunstig zijn dan de voorschriften voor de
betrekkingen tussen moedermaatschappijen en dochterondernemingen
van dezelfde Lid-Staat; dat de samenwerking tussen vennootschappen
van verschillende Lid-Staten hierdoor benadeeld wordt ten opzichte van
de samenwerking tussen vennootschappen van dezelfde Lid-Staat; dat
deze benadeling moet worden opgeheven door invoering van een
gemeenschappelijke regeling en dat hergroeperingen van vennootschappen
op communautair niveau aldus vergemakkelijkt moeten
worden;
Overwegende dat, wanneer een moedermaatschappij als deelgerechtigde
van haar dochteronderneming uitgekeerde winst ontvangt, de Lid-Staat
van de moedermaatschappij
— zich moet onthouden van het belasten van deze winst, of
— die winst moet belasten, maar in dat geval de moedermaatschappij
moet toestaan het gedeelte van de belasting van de dochteronderneming
dat op deze winst betrekking heeft van haar eigen belasting af
te trekken;
Overwegende dat voorts de winst, die een dochteronderneming aan haar
moedermaatschappij uitkeert, behoudens in enkele speciale gevallen,
van inhouding van een belasting aan de bron moet worden vrijgesteld
ten einde de belastingneutraliteit te verzekeren; dat evenwel de Bondsrepubliek
Duitsland en de Helleense Republiek, wegens hun specifieke
vennootschapsbelasting, en de Portugese Republiek, om budgettaire redenen, gemachtigd moeten worden om tijdelijk een bronbelasting te blijven heffen,
HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Elke Lid-Staat past deze richtlijn toe:
— op uitkeringen van winst die door vennootschappen van deze Staat
zijn ontvangen van hun dochterondernemingen uit andere Lid-
Staten;
— op winst die door vennootschappen van deze Staat is uitgekeerd aan
vennootschappen van andere Lid-Staten, waarvan zij dochteronderneming
zijn.
2. Deze richtlijn vormt geen beletsel voor de toepassing van nationale
of verdragsrechtelijke voorschriften ter bestrijding van fraude en
misbruiken.
Artikel 2
Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder de term „vennootschap
van een Lid-Staat" verstaan iedere vennootschap:
a) die een van de in de bijlage genoemde rechtsvormen heeft;
b) die volgens de fiscale wetgeving van een Lid-Staat wordt beschouwd
in deze Staat haar fiscale woonplaats te hebben en die, volgens een
met een derde Staat gesloten verdrag op het gebied van dubbele
belastingheffing, niet wordt beschouwd als fiscaal buiten de
Gemeenschap te zijn gevestigd;
c) die bovendien, zonder keuzemogelijkheid en zonder ervan te zijn
vrijgesteld, onderworpen is aan een van de volgende belastingen:
— „vennootschapsbelasting"/„impôt des sociétés" in België,
— „selskabsskat" in Denemarken,
— „Körperschaftsteuer" in Duitsland,
— „φόρος εισοδήματος νομικών προσώπων κερδοσκοπικού
χαρακτήρα" in Griekenland,
— „impuesto sobre sociedades" in Spanje,
— „impôt sur les sociétés" in Frankrijk,
— „corporation tax" in Ierland,
— „imposta sul reddito delle persone giuridiche" in Italië,
— „impôt sur le revenu des collectivités" in Luxemburg,
— „vennootschapsbelasting" in Nederland,
— „imposto sobre o rendimento das pessoas colectivas" in Portugal,
— „corporation tax" in het Verenigd Koninkrijk,
— „Körperschaftsteuer" in Oostenrijk,
— „yhteisöjen tulovero/inkomstskatten för samfund" in Finland,
— „statlig inkomstskatt" in Zweden,
of aan enige andere belasting die in de plaats zoutreden van een van
bovengenoemde belastingen.
Artikel 3
1. Voor de toepassing van deze richtlijn:
a) wordt de hoedanigheid van moedermaatschappij ten minste toegekend
aan iedere vennootschap van een Lid-Staat die voldoet aan de
voorwaarden van artikel 2 en die een deelneming van ten minste
25 % bezit in het kapitaal van een vennootschap van een andere
Lid-Staat die aan dezelfde voorwaarden voldoet;
b) wordt verstaan onder dochteronderneming, de vennootschap in het
kapitaal waarvan de onder a) bedoelde deelneming wordt gehouden.
2. In afwijking van lid 1 Staat het de Lid-Staten vrij om
— bij wege van bilaterale overeenkomst het criterium „deelneming in
het kapitaal" te vervangen door het criterium „bezit van stemrechten",
— deze richtlijn niet toe te passen op de vennootschappen van deze
Lid-Staat die niet gedurende een ononderbroken periode van ten
minste twee jaren een deelneming behouden welke recht geeft op de
hoedanigheid van moedermaatschappij of op de maatschappijen
waarin een vennootschap van een andere Lid-Staat niet gedurende
een ononderbroken periode van ten minste twee jaren een dergelijke
deelneming behoudt.
Artikel 4
1. Wanneer een moedermaatschappij als deelgerechtigde van haar
dochteronderneming uitgekeerde winst ontvangt, anders dan bij de liquidatie
van de dochteronderneming, moet de Lid-Staat van de moedermaatschappij:
— ofwel zich onthouden van het belasten van deze winst;
— ofwel de winst belasten, maar in dat geval de moedermaatschappij
toestaan dat gedeelte van de belasting van de dochteronderneming
dat op deze winst betrekking heeft van haar eigen belasting af te
trekken en, in voorkomend geval, het bedrag dat, ingevolge de
uitzonderingsbepalingen van artikel 5, door de Lid-Staat waar de
dochteronderneming gevestigd is aan de bron is ingehouden, zulks
binnen de grenzen van het bedrag van de overeenstemmende nationale
belasting.
2. Iedere Lid-Staat blijft evenwel bevoegd om te bepalen dat lasten
die betrekking hebben op de deelneming en waardeverminderingen die
voortvloeien uit de uitkering van de winst van de dochteronderneming,
niet aftrekbaar zijn van de belastbare winst van de moedermaatschappij.
Indien in dit geval de kosten van beheer met betrekking tot de deelneming
forfaitair worden vastgesteld, mag het forfaitaire bedrag niet meer
dan 5 % bedragen van de door de dochteronderneming uitgekeerde
winst.
3. Lid 1 is van toepassing tot de datum van daadwerkelijke toepassing
van een gemeenschappelijk stelsel van vennootschapsbelasting.
De Raad stelt te zijner tijd de vanaf de in de eerste alinea bedoelde
datum geldende bepalingen vast.
Artikel 5
1. De door een dochteronderneming aan de moedermaatschappij
uitgekeerde winst wordt, althans wanneer laatstgenoemde een minimumdeelneming
van 25 % bezit in het kapitaal van de dochteronderneming,
van bronbelasting vrijgesteld.
2. In afwijking van lid 1 mag de Helleense Republiek, zolang zij
geen vennootschapsbelasting heft op de uitgekeerde winst, een bronbelasting
heffen op winst die aan moedermaatschappijen van andere Lid-
Staten wordt uitgekeerd. Het tarief van deze bronbelasting mag evenwel
het tarief dat in de verdragen ter voorkoming van dubbele belasting is
vastgesteld, niet overtreffen.
3. In afwijking van lid 1 mag de Bondsrepubliek Duitsland, zolang
zij uitgekeerde winst onderwerpt aan een vennootschapsbelasting
waarvan het tarief minstens 11 punten lager is dan het tarief op nietuitgekeerde
winst, uiterlijk tot medio 1996 bij wijze van compenserende
belasting een bronbelasting van 5 % heffen op de winst die door haar
dochterondernemingen wordt uitgekeerd.
4. In afwijking van lid 1 mag de Portugese Republiek op de winst die
door haar dochterondernemingen aan moedermaatschappijen van andere
Lid-Staten wordt uitgekeerd, een inhouding aan de bron toepassen tot
uiterlijk het einde van het achtste jaar volgende op de datum waarop de
onderhavige richtlijn van toepassing wordt.
Behoudens de bepalingen van bestaande bilaterale overeenkomsten
tussen Portugal en een Lid-Staat mag deze heffing ten hoogste 15 %
bedragen gedurende de eerste vijf jaar van de in de eerste alinea
bedoelde periode en 10 % gedurende de laatste drie jaar.
Vóór het einde van het achtste jaar neemt de Raad, op voorstel van de
Commissie, met eenparigheid van stemmen een besluit over een eventuele
verlenging van de bepalingen van dit lid.
Artikel 6
De Lid-Staat onder wiens wetgeving de moedermaatschappij ressorteert,
mag geen belasting aan de bron inhouden op de winst die deze maatschappij
van haar dochteronderneming ontvangt.
Artikel 7
1. „Bronbelasting" in de zin van deze richtlijn omvat niet de
vervroegde betaling of vooruitbetaling (voorheffing) van de vennootschapsbelasting
aan de Lid-Staat waarin de dochteronderneming is
gevestigd, die in samenhang met een uitkering van winst aan de
moedermaatschappij wordt verricht.
2. Deze richtlijn laat onverlet de toepassing van nationale of
verdragsbepalingen, die gericht zijn op de afschaffing of vermindering
van dubbele economische belasting van dividenden, in het bijzonder van
de bepalingen betreffende de betaling van belastingkredieten aan de
gerechtigde tot de dividenden.
Artikel 8
1. De Lid-Staten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke
bepalingen in werking treden om vóór 1 januari 1992 aan deze richtlijn
te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.
2. De Lid-Staten delen de Commissie de tekst van alle belangrijke
bepalingen van intern recht mede, die zij op het onder deze richtlijn
vallende gebied vaststellen.
Artikel 9
Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten.
BIJLAGE
Lijst van de in artikel 2, onder a), bedoelde vennootschappen
a) De vennootschappen naar Belgisch recht, geheten „naamloze vennootschap"/„
société anonyme", „commanditaire vennootschap op
aandelen"/„société en commandite par actions", „besloten vennootschap met
beperkte aansprakelijkheid"/„société privée à responsabilité limitée",
alsmede de publiekrechtelijke lichamen die privaatrechtelijk werkzaam zijn.
b) De vennootschappen naar Deens recht, geheten „aktieselskab", „anpartsselskab".
c) De vennootschappen naar Duits recht, geheten „Aktiengesellschaft",
„Kommanditgesellschaft auf Aktien", „Gesellschaft mit beschränkter
Haftung", „bergrechtliche Gewerkschaft".
d) De vennootschappen naar Grieks recht, geheten „ανώνυμη εταιρία".
e) De vennootschappen naar Spaans recht, geheten „sociedad anónima",
„sociedad comanditaria por acciones", „sociedad de responsabilidad limitada",
alsmede de publiekrechtelijke lichamen die privaatrechtelijk werkzaam
zijn.
f) De vennootschappen naar Frans recht, geheten „société anonyme", „société
en commandite par actions", „société à responsabilité limitée", alsook openbare
instellingen en ondernemingen met een industrieel of commercieel
karakter.
g) De vennootschappen naar Iers recht, geheten „public companies limited by
shares or by guarantee", „private companies limited by shares or by
guarantee", lichamen die zijn geregistreerd krachtens de „Industrial and
Provident Societies Acts" of „building societies"die zijn geregistreerd krachtens
de „Building Societies Acts".
h) De vennootschappen naar Italiaans recht, geheten „società per azioni",
„società in accomandita per azioni", „società a responsabilità limitata",
alsook overheids- en particuliere lichamen met industriële en commerciële
werkzaamheden.
i) De vennootschappen naar Luxemburgs recht, geheten „société anonyme",
„société en commandite par actions", „société à responsabilité limitée".
j) De vennootschappen naar Nederlands recht, geheten „naamloze vennootschap",
„besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid".
k) Handelsvennootschappen of burgerlijke vennootschappen met handelsvorm,
en de naar Portugees recht opgerichte coöperaties en openbare bedrijven.
l) De vennootschappen naar Brits recht.
m) De vennootschappen naar Oostenrijks recht, geheten „Aktiengesellschaft",
„Gesellschaft mit beschränkter Haftung".
n) De vennootschappen naar Fins recht, geheten „osakeyhtiö/aktiebolag",
„osuuskunta/andelslag", „säästöpankki/sparbank" en „vakuutusyhtiö/försäkringsbolag".
o) De vennootschappen naar Zweeds recht, geheten „aktiebolag", „bankaktiebolag",
„försäkringsaktiebolag".
